Impressie van een Reis (2)

De uitdaging

Vanuit Oslo plande ik een trektocht van verschillende dagen doorheen het Noorse binnenland. Ik zou de trein nemen tot in Voss, en van daaruit in vijf etappes van berghut naar berghut trekken. Gewapend met een ijzeren wilskracht en een rugzak van een kleine twintig kilogram zou ik de Noorse hoogten temmen. Mijn volkomen onervarenheid en fysieke onvoorbereidheid zouden geen roet in het eten gooien. Ik was naïef.

De uitvoering

De eerste dag is op het moment van schrijven achter de rug. Na 10,5 uur of 25 kilometer over onherbergzaam terrein in plaats van de verwachte wandelpaadjes ben ik aangekomen in een ruime berghut en word ik ontvangen op de nieuwsgierige blikken van achtentwintig Noorse tieners die samen gezellig op schoolreis zijn. “Hello,” zeg ik nogal idioot terwijl ik mijn doorweekte kledij aan het oog probeer te onttrekken en tegelijkertijd geen plek vind om mijn rugzak neer te poten. Douches zijn er niet en de slaapkamers zijn vol. Ik slaap wel op een zetel, hoor. Geen probleem. Uit medelijden of gewoon gastvrijheid—ik heb er het raden naar—bieden de vriendelijke Noorse leraressen me een maaltijd aan die ik hartelijk in ontvangst neem.

Op de klokslag van acht uur vertrok ik vanmorgen in de jeugdherberg van Voss. Lichtjes zenuwachtig, maar vol goede moed. De mist verhult de toppen van de bergen rondom mij terwijl de zon op me neerkijkt. Een vrolijke pas en een glimlach op de lippen begeleiden me terwijl ik de eerste kilometers afleg en het stadje verlaat. Ik houd mijn fototoestel en stafkaart in de aanslag.

20130922-223038.jpg

De eerste vijf kilometers maken nog geen deel uit van het eigenlijke traject maar moet ik afleggen om tot het startpunt in het gehucht Gjelle te raken. Terwijl ik aanvankelijk nog wat schoolgaande jeugd tegenkom, is ander gezelschap op straat snel ver te zoeken. Vlak voor ik mijn eerste klim inzet, kruist mijn weg een wandelend stel dat zichtbaar opgelucht aan het einde van een tocht is gekomen. Vriendelijk zeggen we elkaar gedag in talen die niet de onze zijn.

Al snel wordt duidelijk dat de tocht wat langer zou kunnen duren dan de geraamde 7 à 8 uren. De hellingen zijn veel steiler dan ik van de kaart had afgeleid en bezorgen me een razendsnelle hartslag, doorweekte kleren en een tekort aan water. Het is halftien voor ik aan de start van het eigenlijke traject ben aangekomen en de weg nog steeds steil omhoog klimt. Wanneer ik een houtzagerij bereik, staat het verdere pad aangeduid met een rode T op een boomstam. Ik verlaat de bewoonde wereld.

Vanaf hier is geen sprake meer van een wandelpad, maar enkel van een uitgesleten wegje dat geleidelijk verandert in een stroompje dat net onder de kiezels zichtbaar is. Prachtig wandelen, dat wel, maar op de weg naar boven moet ik herhaaldelijk steun zoeken tegen een stronk of rusten op een rots om op adem te komen. Wat later (en vooral veel hoger) verwonder ik mij over de aanwezigheid van een huis op de open plek waar ik uitkom. Tijd om me even neer te ploffen, juist een koeienvla ontwijkend, en te genieten van het uitzicht.

20130922-221523.jpg

Terwijl ik op adem kom, zie ik een dame bovenkomen uit het pad dat ik net beklom. Ze blijkt een lokale dokteres te zijn die in haar vrije tijd af en toe een berg beklimt. Haar missie is de top bereiken en terug te zijn om haar kinderen op tijd af te halen op de kleuterklas. Als ik haar kan bijhouden, wandelen we samen verder, zegt ze. Ik ga akkoord en geef na vijf minuten op. In Noorwegen is men getraind. Ze is de laatste persoon die ik voor de rest van de trip zal zien. Lange tijd trek ik alleen verder zonder een levende ziel te bespeuren. Pas wanneer de regenwolken zich vertonen, krijg ik het gezelschap van laagvliegende vogels die geregeld opschrikken door mijn aanwezigheid.

Om halftwee plof ik neer tegen de zuidelijke zijde van een grote rots die met een rode T is gemarkeerd. Het miezert en het waait, maar op mijn schuilplaats zit ik goed. Ik kijk op mijn kaart en stel vast dat ik ongeveer in de helft ben van de tocht en de zwaarste klim achter de rug is. Voortaan stijgt het landschap wat geleidelijker dan tevoren. Een opluchting, want ik ben nu al door mijn krachten heen. Ik eet een banaan en wat snoepgoed en vind de energie om weer op te staan.

20130922-222854.jpg

Kuit- en dijspierkrampen schuilen voortdurend vlak onder het huidoppervlak en manifesteren zich telkens ik een iets te groot hoogteverschil probeer te overbruggen. Met moeite slaag ik erin de krampen te voorkomen door tijdig halt te houden, ten koste van kostbare tijd. Mijn tijdplanning komt in het gedrang. Ik moet voortmaken als ik voor het donker aan wil komen.

Het landschap verandert naar een rotsachtige vlakte waar enkel mos het lef heeft om te leven. De rode T’s leiden me op en af de rotsen die me scheiden van de eerste sneeuw. Om onduidelijke redenen boezemt de aanblik van de sneeuw me angst in. Het is niet veel, slechts een kleine honderd meter die ik moet overbruggen. Stap na stap zet ik voorzichtig mijn schoenen neer om het glijden te vermijden. Ik bereik de overkant zonder problemen, maar ook de volgende twee sneeuwvlaktes die me wachten, zullen angstaanjagend ogen.

20130922-222928.jpg

Terwijl bij aanvang de zon nog lustig scheen, zijn op deze hoogte regen, wind, sneeuw en mist continu aanwezig. Mijn handen verkleumen en mijn haar is doorweekt. Mijn bril is ondertussen waardeloos want ik zie zonder beter. De goede moed die ik na mijn geïmproviseerde maaltijd kortstondig voelde opflakkeren is compleet verdwenen. De mist wordt dichter, de rotsen grover. Mijn spieren hebben het al lang begeven maar blijven uit pure noodzaak mijn lichaam voortbewegen. Zo verlopen de volgende kilometers. Verkleumd en met tegenzin. Bij het oversteken van een iets bredere rivier, glijdt mijn rechtervoet weg en belandt die onder water. Ik vloek, maar blijf voortmaken terwijl een natte sok de warmte uit mijn voet zuigt.

Pas wanneer ik weer wat afdaal, ontsnap ik aan de mist. Af en toe komt zelfs de zon erdoor, alsof die me wilt aanmoedigen om door te bijten. Het is een uur of vijf en volgens mijn berekening moet ik om zes uur de bestemming van vandaag bereiken. De afdaling vergt veel van me. Mijn knieën kreunen onder het neerkomen van een negentigtal kilogram bij elke stap die ik zet. Ik moet opnieuw geregeld stoppen om kort te recupereren.

Eindelijk zie ik aan de overkant van een meer mijn eindbestemming opduiken. Het zijn deze laatste kilometers die het meest ondraaglijk zullen zijn. De bestemming zo dicht bij, maar toch nog talloze pijnlijke kilometers van me verwijderd. Het is als een sadistisch spel. Mijn lichaam protesteert ondertussen op elke mogelijke manier en vindt niet meer de stabiliteit om zich recht te houden op gladde stenen. Ik glijd regelmatig weg, maar kan een val gelukkig steeds voorkomen met ondersteuning van een oerkreet die me onwillekeurig verlaat. Nog enkele beklimmingen en afdalingen. Nog vier. Nog drie. Nog twee.

De nasleep

Twee dagen later laten mijn linkerknie en rechterachilleshiel het nog steeds afweten. Lange afstanden en trappen zijn te vermijden. Het mag duidelijk zijn dat mijn aanvankelijke plan in gevaar kwam. Mijn gestel kon onmogelijk nog vier dagen een dergelijke beproeving aan. Gelukkig blijken de Noorse leraressen oprecht vriendelijk te zijn en bieden ze me een plaats aan op de bus die ‘s anderdaags de klas weer naar Bergen zou brengen. Ik had niet veel bedenktijd nodig om gretig op dat aanbod in te gaan.

20130922-222843.jpg