Impressie van een Reis (6)

Derwent Hunter

Vijf grijze balkjes en een wit kruisje informeren me dat ik niet bereikbaar ben. Geladen met tientallen reizigers raast de bus over verlaten wegen naar het noorden. Links van me kleurt de ondergaande zon de hemel roze als was ze een artiest die aan het einde van haar act om nog een laatste applaus vraagt. Welverdiend, ze heeft de hele dag haar best gedaan. Mijn applaus schuilt in de glimlach die ik weinig gericht de wereld instuur.

Kilometers lange vers geplante bomen volgen elkaar netjes op in rijen en bieden een schouwspel van licht en schaduw aan wie het zien wil. Mijn stemming wordt bepaald door Dire Straits in mijn oren.

Uitkijkend over een golvend tapijt van diepblauw water leun ik tegen de metalen balustrade van de Derwent Hunter die zachtjes heen en weer wiegt. Het zilte water spat uiteen tegen de boeg en bereikt zo af en toe mijn gezicht dat de verkoeling verwelkomt. De zon is verhuld achter een versleten wolkengordijn dat door de gaten af en toe een opklaring toelaat.

Wanneer de hemelsluizen opengaan is het water overal en plakt mijn lichaam aan mijn tshirt. “Ain’t no sunshine when she’s gone,” zing ik tegen de wind die me niet kan horen. Ik kan ook mezelf niet horen maar ga ervan uit dat ik goed bezig ben en vervolg met een leugenachtige “it’s not warm when she’s away,” hoewel de verhulde zon nog steeds een aardige temperatuur garandeert.

In bed gelegen, twee weken voor mijn aankomst op Europese bodem, sta ik kort of lang stil bij de relativiteit van tijd. Vijf weken vlogen alvast om, die twee laatste zullen weldra ook weer haast verstreken zijn.

Impressie van een Reis (5)

Dag 1

De Ford Falcon die de komende 10 dagen mijn huis zal zijn, staat te wachten bij Travellers Autobarn in Melbourne. Volgetankt en opgepoetst en klaar om me over Victoria’s wegen te vervoeren. Die wegen zijn verkeer gewend langs hun linkerzijde, maar na een dik halfuur voel ook ik me comfortabel.

Mijn eerste bestemming is Phillip Island, bekend om haar kleine pinguïns en zeehonden (zij noemen het “nobbies”). Voor mij heeft het echter mijn eerste ontmoeting met een kangoeroe in petto. Verder tref ik langs de smalle wandelweg een mierenegel (echidna) en krijg ik later een indruk van hoe het paradijs eruit ziet wanneer ik van op de duinen van Woolamai neerkijk op de onmetelijke oceaan die het zand onophoudelijk aanvalt.

Ik slaap in de auto op een parking langs het strand.

Echidna

Dag 2

Ik verken nog even de thuisbasis van de Nobbies (waar ik dankzij enkele oplettende toeristen een glimps van (slechts) een enkele zeehond opvang) alvorens koers te zetten naar de Great Ocean Road. Wat volgt is filerijden langs en door Melbourne. Eerste stop op de Great Ocean Road is Torquay, bekend als de thuisbasis van ‘s werelds grootste surfmerken Quicksilver en Ripcurl.

Ik ontmoet de gastvrouw die me een zetel kan aanbieden voor de nacht, en later ook enkele van haar vrienden op een barbecue bij een van hen thuis. Er wordt wat gegeten en gedronken en gelachen, zoals dat gaat. Ik krijg enkele waardevolle tips voor onderweg, zoals ook dat gaat. De avond valt, het kampvuur dooft, de kou stuurt ons naar huis.

Ik slaap op de comfortabele uitklapzetel in een ruime woning in Torquay.

Dag 3

Tijd om echt de Great Ocean Road te ontdekken. De verwachte verlaten kronkelweg blijft uit. In plaats daarvan moet ik aanschuiven bij het begin van de veelbezochte weg. Omdat het aanschuiven weinig interessant is, stop ik nagenoeg aan elke afrit om te genieten van het uitzicht of wat rantsoen in te slaan voor onderweg.

Na de eerste kilometers en enkele vakantieoorden ebt de file weg en krijg ik een voorproefje van hoe de roadtrip smaakt. Het is een stralende dag waarvan ik moet genieten. Het weer in Melbourne is immers akelig wisselvallig. Ik rijd tot in Lorne, parkeer mijn woning ergens diep in het bos en wandel naar de Phantom Falls. Op de terugweg trap ik bijna op een slang die daarop vervaarlijk sist maar na even poseren toch het ruime bladersop kiest.

Omdat langs alle wegen herhaaldelijk en uitgebreid werd bericht dat het illegaal is om in de auto te slapen op openbare plaatsen, slaap ik in mijn wagen langs een bosweggetje een eindje buiten Lorne.

Phantom Falls

Dag 4

Het is een dag vol toeristische bezienswaardigheden. Ik ontdek onder meer de Twelve Apostels, een aantal alleenstaande rotsen die vooralsnog de woeste golven hebben overleefd. Ze vormen een metafoor van de dag, die ik in eenzaamheid doorbreng maar er niet in slaagt mijn moraal te doen vallen.

Deels om tijd te doden, stop ik onderweg naar Warrnambool langs ongeveer alle stops om uit te stappen en de hevige overzeese wind te trotseren. Wanneer ik Warrnambool binnen rijd, is mijn eerste halte een parking op het Whale Watching Beach, waar ik hoopvol de duinen beklim en over het water uitkijk. Het walvisseizoen blijkt echter enkele weken voorbij te zijn, dus heb ik hier geen geluk. Ik rijd nog even het doodse stadscentrum in, wandel doelloos rond en beland uiteindelijk in een McDonalds om mijn elektrische toestelletjes op te laden.

Ik slaap in de auto op de parking bij het intussen verlaten Whale Watching strand.

The Twelve Apostels

Dag 5

Wanneer ik eindelijk opsta, doe ik een poging water aan de kook te brengen om eieren te koken. Tientallen minuten later verlies ik mijn geduld en houd ik het dus maar bij wat cornflakes. Omdat ik nood heb aan een douche, beslis ik te gaan zwemmen. Veertig lengtes later voel ik dat mijn conditie niet meer je dat is. Ik heb een trage dag. Op zoek naar een stopcontact en —waarom niet— wat te eten, nest ik me in een Subway waar ik nadenk over het verdere traject van mijn reis.

Wanneer ik het gevoel krijg dat ik echt niet nog langer kan blijven zitten zonder iets extra te bestellen, pak ik mijn boeltje, koop ik nog een stokbrood voor onderweg en kruip ik in een veel te warme auto. Ik rijd de Great Ocean Road weer op richting Melbourne met de zonsondergang in mijn achteruitkijkspiegel en stop nog even om de Gibson Steps te bewonderen alvorens me op een beschutte autoparking te vestigen.

De eenzaamheid van de laatste dagen bereikt een hoogtepunt wanneer ook mijn ipad en telefoon leeg zijn en mijn contact met de buitenwereld op die manier helemaal wegvalt. Ik maak van de gelegenheid gebruik om wat gedachten in een brief te gieten voor het slapen gaan.

Ik slaap in mijn auto op een beschutte autoparking langs de Great Ocean Road.

Gibson Steps

Dag 6

Vastberaden om die eenzaamheid de kop in te drukken, is het lot me gunstig gezind. Ik beslis een onbeduidende afslag richting Johanna Beach in te slaan en kom na een lange smalle weg uit op een kleine kampeerplaats juist achter de duinen. Wanneer ik het strand ga verkennen, tref ik een groep Duitsers op doortocht die voor de rest van de dag een welkome groep gesprekspartners voor me zijn. We eten samen, we zwemmen samen, we wisselen tips voor overnachtingen omdat we verschillende richtingen uitgaan.

Wanneer Duitsland in de late namiddag verder reist om de Twaalf Apostelen te ontdekken, rijd ik door naar Apollo Bay om inkopen te doen en terug naar Blanket Bay in Cape Otway—een waardevolle tip van de Duitsers. Wanneer ik de afslag naar Cape Otway naam, rijd ik een tijdje voorzichtig achter een heen en weer hoppende kangoeroe richting de camping tot die beslist het toch maar veilig te spelen en uiteindelijk in de bossen verdwijnt. Ondertussen heeft de zon aan haar neergang ingezet en onderscheid ik op de grindweg naar de camping een silhouet dat ik nog niet eerder heb gezien. Wanneer ik stop en langs de berm even op zoek ga in de bomen, wordt mijn vermoeden bevestigd wanneer ik mijn eerste koala langzaam omhoog zie klimmen!

Op de camping raak ik aan de praat met enkele lieden die een kampvuur hebben aangemaakt. Ik vergezel hen tot het duister valt. Ik slaap (legaal) in de auto op de gratis camping midden in de bossen. Het was een mooie dag.

Koala

Dag 7

Ik hang nog even rond op Blanket Bay om te genieten van de prachtige omgeving, het heerlijke weer en het rotsstrand. Uiteindelijk beletten de overvloedige insecten me om mijn autodeuren open te laten staan zonder een ongewenste voorraad proteïnen in te slaan, en verlaat ik Cape Otway.

Ik rijd verder naar Kennett River waar ik nogmaals de koude golven trotseer en in het water aan de praat raak met een lokale man die me de vertelt over een plekje in het bos terwijl elke teruglopende golf me dieper de oceaan in tracht te lokken. De weg naar daar zou bezaaid zijn met koala’s: “if you know where to look, you’ll see fifty of them.” Ik weet duidelijk niet waar ik moet kijken maar kan er toch een handvol onderscheiden. Eenmaal boven, wacht ik tot het duister valt om langs de rivierbedding de gloeiwormpjes massaal te zien oplichten.

Ik slaap voor de laatste keer in de auto in het bos.

res-DSCF1858

Dag 8

Ik zet koers richting Torquay alwaar mijn eerdere gastvrouw me toestaat nog twee nachten door te brengen. Onderweg neem ik eerst een ijskoude douche op een strand in Jan Juc om de hygiënische standaard die ik gewend ben weer enigszins te evenaren. Het weer is ondertussen (nogmaals) gekeerd en de regen valt met dikke druppels op mijn voorruit neer. Ik trek nog even de verlaten straten van Geelong in om te genieten van een dronk en rijd tenslotte het chique Torquay in waar een echt bed me wacht.

Ik slaap in het echte bed met kussens en dekens en een matras.

Dag 9

Gezien de stormachtige weersomstandigheden blijf ik vandaag binnen. Het is weer om teevee te kijken dus doe ik dat. De regen slaagt er echter niet in mijn auto schoon te spoelen, dus trek ik later toch mijn schoenen aan om de Ford Falcon een handmatige wasbeurt te geven. In een poging nog wat productiviteit aan de dag te leggen, boek ik mijn terugvlucht van Cairns naar Frankfurt waar ik aan zal komen op 11 december om een nakende tweejarige jubilee in het juiste gezelschap te kunnen vieren.

Ik slaap opnieuw dankbaar in luxeomstandigheden.

Dag 10

Ik sta op tijd op om de rit van anderhalfuur naar de garage in Melbourne te ondernemen. Gezwind en helemaal gewend aan de linkse gewoonten van onze tegenvoeters, loods ik mezelf door het zaterdagochtendverkeer op weg naar Travellers Autobarn. Ik tank de wagen een laatste keer vol en lever hem keurig af waar ik hem gevonden had.

Wanneer ik mijn rugzak weer op de rug hijs, besef ik dat het luxueuze dagen waren. Ik schud de zak nog even recht, gesp de riemen vast en ga weer verder aan wandeltempo, benieuwd naar wat de volgende dagen zullen brengen.

Impressie van een Reis (4)

Voor het eerst begaf ik me buiten de grenzen van Europa. Ruim een week later blik ik terug op de start van mijn verre reis die me, met een overstap in Singapore, langs enkele hoogtepunten van het Australische land moet leiden.

Vanuit Londen is het 12 uur vliegen naar Singapore, waar ik ‘s ochtends vroeg aankom op een rustige luchthaven. De airconditioning werkt er overuren, besef ik later. Nietsvermoedend stap ik immers de automatische schuifdeuren door wanneer ik word begroet door vochtige, warme lucht. Voor het eerst besef ik dat ik ver van huis ben. Hier is het lente.

Singapore is proper en druk en blaakt van de rijkdom. Wolkenkrabbers vormen het landschap, vrouwen rijden er rond met Ferraris en mannen lopen van gebouw tot gebouw in kostuum. De jetlag schemert door wanneer ik verlang naar een frisse pint op de kade van de rivier die door het tropische centrum meandert maar de kroegen nog niet open zijn. Het is negen uur ‘s ochtends lokale tijd. Qua vermoeidheid valt het mee, vind ik. Maar ik moet het uithouden tot acht uur ‘s avonds en rond vier uur verdwijnt mijn jetlagtolerantie en stort ik in. In plaats van een overzetboot om het eiland Sentosa te bezichtigen opteer ik dan maar voor de trein terug naar de luchthaven in de hoop daar wat slaap te vatten. In plaats daarvan neem ik een douche die me wakker houdt tot het boarden richting Sydney.

Een tweede vlucht, deze keer van zeven uur, dropt me keurig op de landingsstrook van Sydney Airport, alwaar de beloofde bosbranden nergens te bespeuren zijn. Het is (opnieuw) zeven uur ‘s ochtends maar wel al woensdag. Met een luchthavenexpresstrein begeef ik me naar Sydney Central.

Ik stap uit in het midden van een grootstad en zo voelt het ook. De lente voelt verrassend zomers en maakt de wandeltocht richting herberg behoorlijk intensief. Met de nodige pauze waarin ik ontbijt en middagmaal op slinkse wijze combineer in een gebeuren (ik noem het: brunch) kom ik aan in een prijzige herberg vlakbij Sydney Harbour. Het Operahuis bevindt zich op kijkafstand.

De prijzige herberg is vol en prijzig, dus zak ik daags nadien af naar het befaamde strand Bondi waar ik de volgende dagen verblijf om van zon en zee te genieten, zo getuige ook mijn verbrande huid. Bruine afgetrainde lijven zijn de norm en ik wijk ervan af.

Zondagavond biedt jazz. Jef Neve vertegenwoordigt in Venue 505 de Belgische jazz met een soloconcert waar de helft van het publiek uit Belgen bestaat. Dat resulteert uiteindelijk in een wijnrijke avond in Sydneysche bars waar de Belgische muzikale top kan verbroederen met amateurs van mijn kaliber.

Weer onderweg naar Bondi ontmoet ik de Hongaarse Suzanne die ‘s anderdaags na een jaar Australië weer huiswaarts keert en in mij een publiek ziet om al haar opgedane wijsheid aan over te dragen. Hoe ik moet genieten van elk moment, niet moet vasthouden aan mijn verwachtingen en vreemden moet blijven aanspreken. Waarvan akte, onbekende.

(Foto’s volgen wanneer ik een goede connectie heb.)

20131103-203539.jpg

Impressie van een Reis (3) – Een boottrip

Mensen zitten aan tafeltjes iets dichter bij elkaar dan ze gewend zijn terwijl ze luisteren naar een live zanger die het jammer genoeg nooit verder zal schoppen dan het opluisteren van de veerboot tussen Helsinki en Tallinn. Hij bedankt nog even voor het schaarse applaus na zijn laatste nummer en pakt zijn gitaar weer in. Het is bijna halfelf. De loungemuziek gaat weer op.

Buiten is het donker, dus wie naar buiten kijkt ziet alleen zichzelf terug staren van achter het kille glas. Het zachte gezoem van de bodem en een licht schommelend gevoel in de maag zijn de enige indicaties dat ik me op een boot bevind. Hier is wifi, maar de verbinding is zo slecht dat ik gedwongen word om iets anders te doen dan elke vijf minuten Facebook te herladen. Ik verplaats me naar een comfortabelere zitplaats in een hoekje van de ruimte en luister naar Eva Cassidy die me in een subliem weemoedige cover van Bridge over Troubled Water vertelt hoe ze me zal troosten wanneer de duisternis valt en ik eenzaam en alleen ben.

Het spreekt voor zich dat ik regelmatig alleen ben. Dan verzink ik in gedachten en wentel ik me in de emoties van het moment. Vanavond is dat weemoed. Dat is niet erg, ik ben immers graag weemoedig. Wie dat niet kent, wens ik wat eenzaamheid, goede muziek en een glas wijn toe. Eva Cassidy ontdekte ik op een onbeduidende dag enkele jaren geleden toen ik op YouTube toevallig op haar glasheldere cover van Over The Rainbow stuitte. Zelfs op die onbeduidende dag in totaal onbeduidende emotioneel stabiele toestand, was haar stem voldoende om me tot tranen toe te bewegen. Nu ik daar op terugkijk, bedenk ik me dat ik als tiener misschien nooit echt in een emotioneel stabiele toestand verkeerde, maar mijn eerste indruk was gemaakt.

Ik verlaat Finland na enkele leuke ervaringen. Vijf nachten verbleef ik kosteloos al surfend op de goedheid van mensen die anderen, ondanks de plotse kou, een warm hart toedragen. Ik verlaat Finland richting Estland, waar ik de komende drie nachten voor een zachte prijs in een herberg doorbreng. Het kruipt in de kleren om elke dag op jacht te gaan naar onderdak, dus deed ik mezelf drie dagen gemoedsrust cadeau in de hoop zo iets meer te kunnen genieten van het aanbod van de stad en bovendien mijn knie wat rust te gunnen door mijn rugzak te kunnen achterlaten.

De boottocht is ten einde.

Impressie van een Reis (2)

De uitdaging

Vanuit Oslo plande ik een trektocht van verschillende dagen doorheen het Noorse binnenland. Ik zou de trein nemen tot in Voss, en van daaruit in vijf etappes van berghut naar berghut trekken. Gewapend met een ijzeren wilskracht en een rugzak van een kleine twintig kilogram zou ik de Noorse hoogten temmen. Mijn volkomen onervarenheid en fysieke onvoorbereidheid zouden geen roet in het eten gooien. Ik was naïef.

De uitvoering

De eerste dag is op het moment van schrijven achter de rug. Na 10,5 uur of 25 kilometer over onherbergzaam terrein in plaats van de verwachte wandelpaadjes ben ik aangekomen in een ruime berghut en word ik ontvangen op de nieuwsgierige blikken van achtentwintig Noorse tieners die samen gezellig op schoolreis zijn. “Hello,” zeg ik nogal idioot terwijl ik mijn doorweekte kledij aan het oog probeer te onttrekken en tegelijkertijd geen plek vind om mijn rugzak neer te poten. Douches zijn er niet en de slaapkamers zijn vol. Ik slaap wel op een zetel, hoor. Geen probleem. Uit medelijden of gewoon gastvrijheid—ik heb er het raden naar—bieden de vriendelijke Noorse leraressen me een maaltijd aan die ik hartelijk in ontvangst neem.

Op de klokslag van acht uur vertrok ik vanmorgen in de jeugdherberg van Voss. Lichtjes zenuwachtig, maar vol goede moed. De mist verhult de toppen van de bergen rondom mij terwijl de zon op me neerkijkt. Een vrolijke pas en een glimlach op de lippen begeleiden me terwijl ik de eerste kilometers afleg en het stadje verlaat. Ik houd mijn fototoestel en stafkaart in de aanslag.

20130922-223038.jpg

De eerste vijf kilometers maken nog geen deel uit van het eigenlijke traject maar moet ik afleggen om tot het startpunt in het gehucht Gjelle te raken. Terwijl ik aanvankelijk nog wat schoolgaande jeugd tegenkom, is ander gezelschap op straat snel ver te zoeken. Vlak voor ik mijn eerste klim inzet, kruist mijn weg een wandelend stel dat zichtbaar opgelucht aan het einde van een tocht is gekomen. Vriendelijk zeggen we elkaar gedag in talen die niet de onze zijn.

Al snel wordt duidelijk dat de tocht wat langer zou kunnen duren dan de geraamde 7 à 8 uren. De hellingen zijn veel steiler dan ik van de kaart had afgeleid en bezorgen me een razendsnelle hartslag, doorweekte kleren en een tekort aan water. Het is halftien voor ik aan de start van het eigenlijke traject ben aangekomen en de weg nog steeds steil omhoog klimt. Wanneer ik een houtzagerij bereik, staat het verdere pad aangeduid met een rode T op een boomstam. Ik verlaat de bewoonde wereld.

Vanaf hier is geen sprake meer van een wandelpad, maar enkel van een uitgesleten wegje dat geleidelijk verandert in een stroompje dat net onder de kiezels zichtbaar is. Prachtig wandelen, dat wel, maar op de weg naar boven moet ik herhaaldelijk steun zoeken tegen een stronk of rusten op een rots om op adem te komen. Wat later (en vooral veel hoger) verwonder ik mij over de aanwezigheid van een huis op de open plek waar ik uitkom. Tijd om me even neer te ploffen, juist een koeienvla ontwijkend, en te genieten van het uitzicht.

20130922-221523.jpg

Terwijl ik op adem kom, zie ik een dame bovenkomen uit het pad dat ik net beklom. Ze blijkt een lokale dokteres te zijn die in haar vrije tijd af en toe een berg beklimt. Haar missie is de top bereiken en terug te zijn om haar kinderen op tijd af te halen op de kleuterklas. Als ik haar kan bijhouden, wandelen we samen verder, zegt ze. Ik ga akkoord en geef na vijf minuten op. In Noorwegen is men getraind. Ze is de laatste persoon die ik voor de rest van de trip zal zien. Lange tijd trek ik alleen verder zonder een levende ziel te bespeuren. Pas wanneer de regenwolken zich vertonen, krijg ik het gezelschap van laagvliegende vogels die geregeld opschrikken door mijn aanwezigheid.

Om halftwee plof ik neer tegen de zuidelijke zijde van een grote rots die met een rode T is gemarkeerd. Het miezert en het waait, maar op mijn schuilplaats zit ik goed. Ik kijk op mijn kaart en stel vast dat ik ongeveer in de helft ben van de tocht en de zwaarste klim achter de rug is. Voortaan stijgt het landschap wat geleidelijker dan tevoren. Een opluchting, want ik ben nu al door mijn krachten heen. Ik eet een banaan en wat snoepgoed en vind de energie om weer op te staan.

20130922-222854.jpg

Kuit- en dijspierkrampen schuilen voortdurend vlak onder het huidoppervlak en manifesteren zich telkens ik een iets te groot hoogteverschil probeer te overbruggen. Met moeite slaag ik erin de krampen te voorkomen door tijdig halt te houden, ten koste van kostbare tijd. Mijn tijdplanning komt in het gedrang. Ik moet voortmaken als ik voor het donker aan wil komen.

Het landschap verandert naar een rotsachtige vlakte waar enkel mos het lef heeft om te leven. De rode T’s leiden me op en af de rotsen die me scheiden van de eerste sneeuw. Om onduidelijke redenen boezemt de aanblik van de sneeuw me angst in. Het is niet veel, slechts een kleine honderd meter die ik moet overbruggen. Stap na stap zet ik voorzichtig mijn schoenen neer om het glijden te vermijden. Ik bereik de overkant zonder problemen, maar ook de volgende twee sneeuwvlaktes die me wachten, zullen angstaanjagend ogen.

20130922-222928.jpg

Terwijl bij aanvang de zon nog lustig scheen, zijn op deze hoogte regen, wind, sneeuw en mist continu aanwezig. Mijn handen verkleumen en mijn haar is doorweekt. Mijn bril is ondertussen waardeloos want ik zie zonder beter. De goede moed die ik na mijn geïmproviseerde maaltijd kortstondig voelde opflakkeren is compleet verdwenen. De mist wordt dichter, de rotsen grover. Mijn spieren hebben het al lang begeven maar blijven uit pure noodzaak mijn lichaam voortbewegen. Zo verlopen de volgende kilometers. Verkleumd en met tegenzin. Bij het oversteken van een iets bredere rivier, glijdt mijn rechtervoet weg en belandt die onder water. Ik vloek, maar blijf voortmaken terwijl een natte sok de warmte uit mijn voet zuigt.

Pas wanneer ik weer wat afdaal, ontsnap ik aan de mist. Af en toe komt zelfs de zon erdoor, alsof die me wilt aanmoedigen om door te bijten. Het is een uur of vijf en volgens mijn berekening moet ik om zes uur de bestemming van vandaag bereiken. De afdaling vergt veel van me. Mijn knieën kreunen onder het neerkomen van een negentigtal kilogram bij elke stap die ik zet. Ik moet opnieuw geregeld stoppen om kort te recupereren.

Eindelijk zie ik aan de overkant van een meer mijn eindbestemming opduiken. Het zijn deze laatste kilometers die het meest ondraaglijk zullen zijn. De bestemming zo dicht bij, maar toch nog talloze pijnlijke kilometers van me verwijderd. Het is als een sadistisch spel. Mijn lichaam protesteert ondertussen op elke mogelijke manier en vindt niet meer de stabiliteit om zich recht te houden op gladde stenen. Ik glijd regelmatig weg, maar kan een val gelukkig steeds voorkomen met ondersteuning van een oerkreet die me onwillekeurig verlaat. Nog enkele beklimmingen en afdalingen. Nog vier. Nog drie. Nog twee.

De nasleep

Twee dagen later laten mijn linkerknie en rechterachilleshiel het nog steeds afweten. Lange afstanden en trappen zijn te vermijden. Het mag duidelijk zijn dat mijn aanvankelijke plan in gevaar kwam. Mijn gestel kon onmogelijk nog vier dagen een dergelijke beproeving aan. Gelukkig blijken de Noorse leraressen oprecht vriendelijk te zijn en bieden ze me een plaats aan op de bus die ‘s anderdaags de klas weer naar Bergen zou brengen. Ik had niet veel bedenktijd nodig om gretig op dat aanbod in te gaan.

20130922-222843.jpg

Impressie van een Reis (1)

Ik zit op mijn rugzak in een klein wegstation in Zweden te wachten op verkeer. Een goederentrein rijdt vlak langs, net de Sontbrug overgestoken op weg naar het Zweedse binnenland. Kopenhagen ligt achter me, aan de andere kant van de zeestraat die men daar de mooie naam Øresund heeft gegeven. Voor me, verscholen achter een verlaten landschap, ligt Malmö. Grijze wolken blokkeren de zon. Ik trek een trui aan.

Een week geleden, woensdag 4 september, hees ik mijn rugzak op mijn rug en nam ik plaats aan de oprit van de E314 om al liftend op reis te gaan. Eerste bestemming: Münster, Duitsland. Daar verbleef ik twee dagen in goed gezelschap om vervolgens afscheid te nemen en richting Kopenhagen te reizen. Met een portie geluk waaraan ik graag gewend zou raken, slaagde ik erin 740 kilometer op één dag af te leggen en de nacht in de Deense hoofdstad door te brengen.

Het station waar ik zit is duidelijk weinig in trek. Er staat nochtans een hoeve die als toeristische attractie moet dienen. Een van de vijf aanwezige auto’s vertrekt. Ik spring op en houd mijn bordje met “E20” op, maar krijg een verontschuldigende glimlach in plaats van een ritje. Ik zit hier nog wel even vast.

Ondertussen wacht ik al bijna drie uur op deze plek. Ik beslis de hoeve binnen te gaan om wat te drinken. De dame achter de kassa vertelt me dat het hier rustig is omdat het toeristisch seizoen achter de rug is. Ze raadt me aan om naar de dorpsstraten achter de hoeve te wandelen en van daaruit verder te proberen. Ik koop een cola zero en zet me comfortabel aan een tafeltje. Meteen probeer ik nog even op de parking, maar ik houd haar goede raad in het achterhoofd.

Ik heb maar drie extra afwijzingen nodig om de goede raad op te volgen. Met hernieuwde moed stap ik langs de omheining naar de kleine weg die aan de andere kant van het wegstation grenst. Met een stevige pas begeef ik me naar een grotere weg, die, wanneer ik ze ver genoeg volg, uitgeeft op een rotonde die richting de E20 wijst. Ideaal. Hier moet het lukken.

Opnieuw twee uur later en nog geen kilometer opgeschoten. Honderden auto’s zijn me ondertussen gepasseerd. Slechts één daarvan vertraagde om vast te stellen dat ik een andere richting uit moet en reed dus toch maar verder. Mijn hernieuwde moed is ondertussen weer ver zoek. Wat er misloopt, is me niet duidelijk. Toegegeven, de plaats is niet ideaal –de oprit leidt naar beide richtingen en er is geen duidelijke stopplaats aanwezig– maar normaal lukt het zo heus nog wel. Het kost moeite om niet elke langsrijdende auto verwijten naar het achterraam te slingeren. Mijn humeur schommelt omgekeerd evenredig met de snelheid van de wagens die voorbij zoeven.

Het is nu zes uur geleden dat ik in Kopenhagen op een oprit stond. Ik ben geagiteerd en zie geen verbetering in de situatie. Met wat moeite herinner ik me dat deze vakantie dient om vrolijk van te worden. Ik hak de knoop door: dit heeft geen zin, ik probeer morgen wel opnieuw. Vandaag blijf ik in Malmö. Een noodoproep op couchsurfing.org levert me binnen het uur een slaapplaats en een uitnodiging naar het Architecture Film Festival in het nabije Lund op. Dàt is waarom ik op reis ben.

20130913-223456.jpg

11 Tips for Beginning Hitchhikers

In July of 2013, I had my first hitchhiking experience when my girlfriend and I traveled to Prague. While writing this, I have more than 2000 kilometres of hitchhiking to my name with many more to follow. While that mightn’t be much, I feel like I can already compile a few tips for beginning hitchhikers.

There are many reasons why you would like to travel by hitchhiking. You might be on a low budget, you might enjoy the changing view while you travel instead of the teleportation-like qualities of an airplane, you might like the randomness of traffic that decides who you will meet along your way or you may just be stuck without other options. In any case, I would like to share some of my experiences and hope they will help you out someday.

1. Bring a map

Make sure you bring a map of the areas you’re going to travel through. You want to be able to check where you’re headed at all times. It will prove useful when you unexpectedly end up somewhere else than you intended and it allows you to find big cities along your way that you can put as your destination (see tip #3).

2. Choose your starting point wisely

I find this is essential to the succeeding of your hitchhiking attempt. If you don’t start at a good location, you could find yourself waiting hours before somebody finally picks you up. Good locations include accesses to highways and other big roads, but always make sure there’s space for a car to pull over. Bus stops or roads with wide bike lanes are ideal.

3. Make your destination clear

Always carry some paper and a marker with you to indicate your destination to bypassing traffic. Traditionally, hitchhikers are seen wearing a cardboard sign with their ultimate destination, but I find you can get a long way (literally) by changing your sign to nearby cities along the way. The advantage is double: passing cars will be more inclined to take you to a nearby city that they know instead of a far-off destination they hardly know is in their direction, and you get a sense of achievement every time you flip a page of your notepad to write down a new destination.

4. Stay on the highway

This is another tip to ensure you don’t spend hours lingering in the same spot. For as long as you can, try to stay on the highway. That means you get off in gas stations, road restaurants or parking lots just before your ride leaves the highway. This is often hard to plan, since a lot of of maps don’t show gas stations and the likes, but remember you’d rather get out one stop earlier than get off the highway because you missed the last stop.

5. Always make clear where you want to get out

This relates to tip #4. Make sure your driver knows exactly where to let you out and be sure it’s one of the first things you tell him/her. Good communication is essential to prevent silly misunderstandings that could cost you some extra hours and erode an unhealthy amount of patience.

6. Approach people

When you find yourself in places along the highway (again, see tip #4), you don’t have to count solely on the goodwill of people to stop for you. You now have the opportunity to talk to people and persuade them to take you with them for a while. Just ask them where they’re headed and if they maybe have some place for you to travel along. Be upfront but don’t be pushy. The following two tips will help you with that.

7. Be friendly

It’s the oldest trick in the book, but it works. Always smile and be polite. Be it while you’re sticking your thumb in the air looking at passing cars or when you have been denied a ride when asking somebody in a gas station. It shows that you’ve got the best intentions and might persuade the next person to give you a ride. A happy hitchhiker has got a chance, but nobody wants a grumpy one.

8. Study some lines in the local language

Depending on where you’re traveling, you may not speak the local language. In this case, it’s a good idea to look up some simple phrases in advance. Sentences like “Hello, nice of you to stop” and “I’m traveling to X” should work. The gesture is often appreciated and might help you to get a lift from people that are otherwise hard to persuade.

9. Schedule enough time

However good my intentions with these tips are, there’s no denying that ofttimes you will find yourself losing precious time due to this or that reason. Be prepared that this might happen and do not live by strict schedules. Always plan enough time to reach your destination in order to prevent stressful situations. You’d rather arrive early than late.

10. Don’t hesitate to turn down an offer

You are always in charge of yourself, but when you enter a stranger’s car, you unavoidably place your driver in a position that makes him or her responsible for your safety. Let your instinct run free. If somebody doesn’t look very trustworthy or you have a bad feeling about the situation, don’t hesitate to turn down an offer and wait for the next car. If you feel bad about it, make up a simple lie like “I’m heading the other way” or “I want a ride that goes a bit further”. Similarly, when a driver’s road behaviour worries you, ask him or her to let you out at the next occasion. No harm done and you’ll avoid feeling uneasy for the rest of the ride.

11. Don’t give up

With the risk of sounding like an eighties song: don’t stop believing. Honestly, good spirit is what will get you to your destination in the end. You can’t afford to give up, or you’ll be stranded somewhere down the road. If you feel like taking a break, have one, and pick up where you left off.

Best of luck.

20130908-203349.jpg

Rome, een dagboek

Dinsdag 19 juli
11:59

Ik ben al drie uur op de luchthaven. Vertrokken zonder veel vooruitzicht en in de veronderstelling dat ik wel in Rome zou raken, begaf ik me naar Leuven station voor een enkeltje Brussel Nationaal.

Brussels Airlines is te duur: “Wij doen niet aan last-minute.” Mij best, denk ik, en Connections redt de dag. Ik reis alleen, dus ben aan mezelf overgeleverd, wat naar alle waarschijnlijkheid de eerste keer is. Ik lieg als ik zeg dat ik het niet een beetje spannend vind. Ik kijk op mijn rechterkant uit op vier paar roltrappen die drie verdiepingen met elkaar verbinden, linksvoor zie ik een Quick, waarvan ik me afvraag of ik daar straks wél zin in zal hebben. Aan de overkant van wat men “De Luchtweg” heeft gedoopt, gooit een meisje uit verveling herhaaldelijk haar flesje omhoog, dat ze vervolgens deskundig terug opvangt. Omdat Seekers louter fictief zijn, verdenk ik haar enkel van een gezonde motoriek maar wacht ik toch geduldig tot ze haar flesje per abuis over de balustrade keilt om zo een nietsvermoedende roltrapreiziger iets sneller naar beneden te doen rollen dan gepland.

Honger begint te komen, inspiratie op. Nog lang geen tijd om te boarden, ik vlieg pas om 14:40 naar Amsterdam. Bill Bryson schreef mijn tijdverdrijf in 2003 en noemde het “A Short History of Nearly Everything”. Ik ben hem er dankbaar voor.

16:25

Een vertraagde vlucht later, ben ik in Schiphol gestrand. Geen tijd om rond te kijken, boarding start om 16:05. Dat was voordat het vliegtuig zoek was, of iets dergelijks, want waarom zou men anders plots van vliegmasjien veranderen? Gelukkig is Schiphol rijkelijk bezaaid met wegwijzers en vond ik bijgevolg gemakkelijk de grond waarop ik zit. Langs mijn zijde berispt een moeder, geheel herkenbaar en met een volmaakt Engels accent, haar oudste dochter omwille van het plagen van haar zus. Ik hoop dat ik hier goed zit, maar dat zal wel want ik hoor een taal die ik niet ken en dus waarschijnlijk Italiaans is. Wachten tot alles zichzelf oplost. Als mijn bagage meereist, vind ik het allemaal best.

16:57

De vlucht is ondertussen delayed tot 18:30, maar goed dat ik niet gehaast ben. Kinderen amuseren zich door een pingpongbal naar hun vader te ketsen, een ander zet uit verveling een roltrap in gang. De grote mensen staren wezenloos voor zich uit of gooien ongeduldige blikken op hun horloge of het informatiebord. Als ik wist hoe lang de vlucht naar Rome duurt, zou ik het me niet zitten afvragen. In de hoofdgebouwen van Schiphol klonken rustgevende muziek en natuurgeluiden. Deze vleugel vergaten ze. Ik wacht. Krijg nou wat, die roltrap werkt in beide richtingen. Niet tegelijkertijd, natuurlijk, we zijn tenslotte Schrödinger niet.

20:10

Het is koud op het vliegtuig, zo getuige een oude man met een muts. De arme dame aan het raam links van me begon de vlucht met een kruisteken, waarna het tafeltje aan de zetel voor haar los kwam en haar nagenoeg in het gezicht sloeg. Je mag daar niet mee lachen, maar het is moeilijk. God is een kleine sadist.

De piloot roept om dat het in Rome nog steeds 26 graden is. Laat me hopen dat dat over een halfuur nog steeds het geval is, want ik moet op zoek naar onderdak. De negen herbergen die ik vanuit Schiphol opbelde konden overnachting noch soelaas bieden. Het ziet er naar uit dat mijn eerste nacht er één op hotel zal worden. Gelukkig heb ik niets tegen luxe.

Wat turbulentie en een bloedneus later, (ik vermoed geen causaal verband,) zetten we de landing in, langs rechts vergezeld door een ondergaande zon die onze linkerzijde van een verticale regenboog voorziet.

00:47

Ik besef wat het nut is van een tweepersoonsbed voor een vrijgezel: je kan gaan slapen zonder eerst je bed te moeten ontruimen. Ik lig poedelnaakt op bed in een hotelkamertje dat veel te duur is, maar het mag er ook wel wezen. Ik ben in ieder geval begonnen met mijn centen er terug uit te halen: een vol bad, badschuim incluis. Morgen op zoek naar een goedkoper alternatief, maar pas na mijn uitgebreid ontbijt van 7 tot 10.

Woensdag 20 juli
10:41

De schaduw van het loof beschermt me tegen de zon. Ik zit op een bankje in Giardini del Quirinale en zit daar wel lekker. Mijn volgende vier nachten zijn verzekerd van onderdak en dat voor een prijs waarvoor ik op mijn laatste verblijfplaats nog geen twee nachten zou kunnen verblijven. Allemaal goed, allemaal wel.

Dorst, drieëntwintig graden. Dat belooft. Ik kan deze namiddag pas inchecken en socializen dus ben ik aan het solotrippen door deze mooie, vuile stad waar chauffeurs een claxonreflex hebben die sterker is dan hun remreflex. De wind steekt op en toont me waar ik heen moet.

Donderdag 21 juli
15:46

Mijn voeten laten zich voelen, ik zit in de bar van de herberg met een Duvel voor mij. Waarom iets nieuws proberen als het oude zo goed is? Dat strookt niet helemaal met de ingesteldheid die je verwacht van een alleenreiziger, maar dat kan me niet schelen. Ik geniet van een gulden slok goud.

Slecht geslapen, veel te warm, een laatste keer wakker geworden om 7u. Om halfnegen de stad ingetrokken met drie Amerikaanse europavaarders. Rome heeft zich aan me prijsgegeven hoewel ik me als een toerist gedroeg.

Of ik moe ben, wordt me gevraagd. Valt het dan zo op? Aan siësta’s doe ik principieel niet mee, maar het zou welkom zijn. Het is hier rustig. Nu wel. Vanavond verzamelt de voltallige Roomse bevolking zich hier weer om de boel op stelten te zetten. Dat is prettig, want ik doe sociaal. Het gevoel dringt zich aan me op dat ik geen zinnen meer kan vormen. Zonneslag of niet, hier laat ik het bij, maar echt niet omdat ik een siësta nodig heb.

Vrijdag 22 juli
14:44

Een schoen onder mijn stoel, de ander om mijn voet. Ook hier staken soms treinen, geen zee vandaag. Vanmorgen gewekt door een herbergmedewerkster die me aanspoorde uit te checken (omdat ik ook morgen weer in een andere kamer slaap, het gevolg van niet gereserveerd te hebben). Het was elf uur, dus ik was blij dat ze nog beleefd was. Zware avond gisteren, trage start vandaag. Twee uur rondgehangen op het station, wachtend op een trein die nooit kwam. Het duurde even voor de betekenis van soppresso tot ons doordrong. Zoals het elke gezonde jongeman betaamt, hang ik na die teleurstelling door te zakken aan de toog. Misschien zwem ik straks, als de hoofdpijn is gaan liggen.

Zaterdag 23 juli
10:44

“Thank you,” en vijf euro wisselgeld. Geen slecht ontbijt, zo’n egg and bacon sandwich, maar de capuccino heb ik beter gehad. Me afvragend wat Rome te bieden heeft als het nat en miezerig is, ga ik mijn tijdverdrijf halen dat boven naast mijn bed ligt. Opnieuw bedankt, Bill.
Ontbijt, nieuwe gezichten. Regen op straat. Mijn laatste volle dag, ik ben een plakker want de meesten verbleven hier minder lang dan ik. Nog wat socializen, de dag ietwat proberen vullen.

14:50

Van Morrison zingt Moondance, ik eet. Ieder doet waar ie goed in is. Hij neemt me terug naar vorige week, toen ik August Rush zag: een film die me door vrienden was aangeraden en mede verantwoordelijk was voor het feit dat ik me hier bevind. In het algemeen een aanrader. Inspirerend en ontroerend, ik laat graag eens een traan op die manier.

Met wat Engelsmannen (die hier trouwens dunbezaaid zijn, net zoals Belgen — ik heb nog maar één Vlaams gezin gehoord sinds ik hier ben) en twee Aussies (die daarentegen in statistisch ongebruikelijke proporties aanwezig zijn) nogmaals de Roomse binnenstad bezocht, die ik onderhand wat begin te kennen. Zonder kaart de groep rond de stad gidsen, het schept voldoening. De zon liet ons niet volledig in de steek.

Deze perzik is hard, maar toch zo goed als op, de rest gooi ik weg. Ik kom eraan, Bill.

Zondag 24 juli
09:22

Te vroeg opgestaan, uitgebreid ontbijt. Pas om 10u richting Stazione Termini, dus tijd om wat te schrijven. Een reizend drietal zit aan mijn tafel erg onreizig te wezen. Ze misten hun vroege trein en wachten drie uur op de volgende waar plaats op is. Tegenvaller, jongens. Een van hen slaapt, een ander zucht, de derde maakt de eerste wakker om naar de supermarkt te gaan. Ik wijs hen de weg.

10:00

Een jongedame schrijdt voorbij, mannenhoofden volgen haar tred. De uurregeling laat weten dat mijn trein naar de luchthaven vertrekt over 22 minuten. Geen dag te vroeg, blijkbaar: stapelwolken stapelen hun wollige wolkheid dicht opeen hoog in de lucht die ik tussen twee overdekte perrons kan zien. De temperatuur is gedaald. Rome rouwt om mijn vertrek en ik begrijp haar.

10:59

De Leonardo Express, noemen ze hem, de trein naar de luchthaven. Nu weet ik niet wat ‘express’ betekent in het Italiaans, maar ik vermoed niet dat het iets te maken heeft met traagheid of vertragingen. Mijn vlucht vertrekt over twee uur, dus het mag wel eens gaan opschieten. Ik maak me niet druk, want het is (nog steeds) vakantie.

11:55

De expresstrein blijkt ook nog eens te boemelen in elke tussenhalte. Ik sta sardienachtig in de wandelgang van de trein, mensen zweten rondom mij. Volgende halte is luchthaven. Mijn vlucht vertrekt over een uur, dit wordt lekker spannend.

12:47

Nog 7 minuten voor de vlieger vertrekt. Ik zit er juist op. Persoonlijk aangesproken en opgevangen aan gate B07 (“you are mister Hiele?”), werd me met de glimlach verteld dat ik niet eens de laatste was en mijn excuses dus overbodig waren. Scheenbeenspierpijn die ik nog lang zal voelen, ik ben nooit een loper geweest. De arme jongeman naast me is vast niet erg te spreken over de gevolgen die zo’n loopwedstrijd voor mijn lijfgeur met zich mee draagt. Het spijt me, maar niet mijn schuld. De Italiaanse spoorwegen doen er onze NMBS uitzien als een eersteklas klantvriendelijk bedrijf.

Geen tijd gehad om mijn lege flesje nog te vullen, mijn droge keel huilt. Geldt het noodzakelijke uitschakelen van de mobiele telefoon ook voor smartphones, of is vluchtmode toch voldoende? Ik steek ‘m in elk geval weg.

16:07

Terug in Nederland, en dat merk je. Het regent grijzigheid en er valt alleen Heineken te krijgen. Bedankt maar nee bedankt. Nog een dik halfuur luisteren naar de artificiële stem die om de 5 seconden met een verschrikkelijke “mind your step” waarschuwt voor het einde van de rollende voetgangersvloer en ik ben weer onderweg naar Brussel.

17:58

De trip zit erop. Zo meteen vertrekt deze trein naar Leuven en ligt de Romereis voor altijd achter me. Ik dank iedereen die ik ontmoet heb op mijn reis en ook iedereen die het onbegrijpelijke doorzettingsvermogen kon opbrengen om deze nagenoeg onafgebroken stroom van woorden van het begin tot het einde te trotseren. U was een fantastisch publiek.